Contact informatie

Postbus 59
8320 AB URK
Telefoon: 0527-684141
Fax: 0527-684166

ICES presenteert methode om de toestand van de zeebodem en de invloed van visserij daarop te beoordelen

vrijdag 21 juli 2017

Europese regelgeving, zoals de Kaderrichtlijn Mariene Strategie, heeft als één van de doelstellingen een goede toestand van (het leven op en in) de zeebodem. Er bestaat echter nog geen standaardmethode om de toestand van de zeebodem en de invloed van visserij daarop te beoordelen. Landen doen hun eigen ding, en dat pakt - zonder goede onderbouwing – weleens slecht uit voor de visserij vindt VisNed. Hier kan verandering in komen. Begin deze maand werd een officieel advies van ICES in opdracht van de Europese Commissie gepubliceerd, waarin een nieuwe beoordelingsmethodiek wordt uiteengezet.

Het advies is tot stand gekomen na een serie van drie workshops eerder dit jaar in Kopenhagen. VisNed heeft aan deze workshops deelgenomen en door het inbrengen van praktijkkennis kunnen bijdragen aan een betere afweging tussen bodemimpact en visserij. Het advies omvat een nieuwe beoordelingsmethodiek waarmee, op basis van bodemimpact en de aanlandingswaarde, trade-offs tussen bodembescherming en visserij in kaart kunnen worden gebracht. Dit artikel legt de methodiek uit.

Visserijdruk en bodemimpact

Er wordt onderscheid gemaakt tussen de zogenaamde visserijdruk, en de mate waarin er sprake is van “impact” op het bodemleven. Voor de visserijdruk heeft ICES vijf indicatoren uitgewerkt, en voor de bodemimpact twee.

Als eerste stap wordt een gebied (bijvoorbeeld de Noordzee) opgedeeld in een raster van 0,05° x 0,05°. De indicatoren worden telkens berekend voor elke cel apart.

Indicatoren voor visserijdruk:

  1. Visserijintensiteit. Uitgedrukt als het gemiddelde aantal keer per jaar dat de zeebodem in een cel wordt geraakt door een vistuig. Dit wordt berekend als het totale beviste grondoppervlak in de cel gedurende het hele jaar, gedeeld door het oppervlak van de cel. Dit getal wordt de “Swept Area Ratio” genoemd.
  2. Aandeel van de cellen waar in het jaar tenminste één keer een vistuig passeerde. In de Noordzee ondieper dan 200 m was dit in 2015 80%.
  3. Gedeelte van het gehele gebied waar de zeebodem in een jaar bevist wordt (op basis van indicator 1). In de Noordzee ondieper dan 200 m was dit in 2015 54%.
  4. Aandeel van de cellen waarin 90% van de totale visserijintensiteit (uit punt 1) in een jaar plaatsvindt. Hoe kleiner het getal hoe meer de visserij geclusterd is. In de Noordzee ondieper dan 200 m was dit in 2015 36%.
  5. Als indicator 2, maar dan over een periode van zes jaar. Dit geeft weer welke cellen over een langere periode op geen enkel punt door ook maar één vistuig geraakt zijn.

Indicatoren voor bodemimpact:

  1. Gemiddelde jaarlijkse visserijimpact tussen alle cellen.
  2. Aandeel van de cellen met een impact beneden een bepaalde drempelwaarde.

De beide indicatoren voor bodemimpact worden op basis van twee verschillende manieren bepaald (het zijn dus eigenlijk vier indicatoren). Eén manier is gebaseerd op de levensspanne van de verschillende organismen die op een plek voorkomen. De andere manier is gebaseerd op de dynamiek biomassa van de verschillende organismen die op een plek voorkomen. Het voert te ver om deze methoden hier volledig uit te leggen, maar indien u hier meer over wilt weten kunt u het advies zelf vinden op de link onder dit artikel, of u kunt contact opnemen met info@visned.nl.

Het gebruikte cellenraster heeft een relatief hoge resolutie, en dit is echt een stap vooruit vergeleken met oudere analysemethoden. Toch wordt nog wel alle activiteit die binnen een cel valt over de hele cel uitgesmeerd, ook als alle bevissing in werkelijkheid bijvoorbeeld op een bepaalde richel plaatsvond. Dan kan het zo zijn dat de Swept Area Ratio (indicator 1) bijvoorbeeld 2 is voor de hele cel, terwijl in werkelijkheid bijvoorbeeld maar 50% van deze hele cel überhaupt is geraakt, maar dan 4 keer in plaats van de gemiddelde 2 keer. In dit voorbeeld zou het beviste oppervlak dan twee keer zo hoog geschat worden als het in werkelijkheid was. De analyse in cellen op een raster betekent dus dat de voetafdruk van de visserij “uitgesmeerd” raakt over een groter gebied. De vraag is vooralsnog wel hoe groot dit effect precies is. Dit voorbeeld geeft aan dat de mitsen en maren van de methode niet uit het oog moeten worden verloren, en dit is iets waar VisNed scherp op blijft letten.

Van de vijf visserijdruk- en twee impactindicatoren kunnen vervolgens kaarten worden gemaakt. Daarop wordt voor elke cel de waarde in kleuren weergegeven.

Als laatste stap kunnen gebieden op de kaart worden geselecteerd. Wanneer bijvoorbeeld alle cellen worden genomen die een bepaald habitattype bevatten, dan kan de toestand van dat habitattype als geheel worden beoordeeld.

Aanlandingen en waarde

Tegenover de visserijdruk en bodemimpact, staan de aanlandingen van de visserij en de waarde die deze vertegenwoordigen. Deze worden uitgerekend in de vorm van nog eens vier indicatoren:

  1. Totaal aanlandingsgewicht per jaar.
  2. Totale aanlandingswaarde in euro’s per jaar.
  3. Aanlandingsgewicht per cel per jaar.
  4. Aanlandingswaarde per cel per jaar.

Deze indicatoren spreken meer voor zichzelf.

Trade-off analyse

Doordat de verschillende indicatoren voor dezelfde cellen en over dezelfde periode worden berekend, kunnen ze worden vergeleken. Hiermee kan in grote lijnen inzicht worden verkregen in mogelijke trade-offs. Bijvoorbeeld: als een beschermd gebied nodig is (en we mogen niet voorbijgaan aan deze essentiële voorwaarde), waar zou dat dan bijvoorbeeld kunnen komen met zo min mogelijk verlies voor de visserij?

Daarbij stelt ICES zelf ook dat deze aanpak bedoeld is voor het denken in grote lijnen. Maar wanneer het concreter wordt zullen voorstellen en mogelijke consequenties altijd in meer detail moeten worden uitgewerkt. Dat neemt niet weg dat deze aanpak als richtinggevend instrument kan worden ingezet.

Voorbeeld Noordzee

In het adviesdocument heeft ICES bij wijze van proef de methodiek toegepast op de Noordzee. Dit betreft nadrukkelijk een proef, en de methodiek is nog niet rijp voor een echte beoordeling. De getallen en kaarten moeten dus niet als werkelijke uitkomsten worden gezien.

De volgende figuur toont de Swept Area Ratio (indicator 1) in de Noordzee in 2015:

De volgende twee figuren tonen de bodemimpact op basis van de twee verschillende manieren (populatiedynamiek/biomassa, links; en levensspanne, rechts). De grote verschillen maken meteen duidelijk dat er nog heel veel werk verzet moet worden voordat de methodiek “klaar” is om in de praktijk te gebruiken. Eén van de mogelijkheden is dat in de zuidelijke Noordzee de populatiedynamiek/biomassa analyse (linker kaartje) niet voldoende rekening houdt met de hoge natuurlijke dynamiek in de zuidelijke Noordzee. De levensspanne analyse (rechter kaartje) toont daar een lage impact van de visserij, en dat zou kunnen komen doordat de bodemgemeenschap daar van nature is aangepast aan golf- en getijdynamiek. VisNed vindt het van essentieel belang dat dit probleem wordt opgelost. Dit wordt nader onderzocht, en VisNed houdt de vinger aan de pols vanwege de mogelijke consequenties.

De visserij in 2015 is als volgt weergegeven:

Dan de trade-offs. Uit de analyse van de Noordzee ontstaat volgens ICES een beeld van kerngebieden voor de visserij, waar de waarde relatief hoog is en de conditie van de bodem relatief laag (de impact is daar relatief hoog). Daartegenover staan gebieden waar de waarde laag is en de conditie hoog. Het advies heeft slechts één van beide methoden van impactanalyse (populatiedynamie/biomassa, en niet levensspanne) uitgewerkt; het resultaat op basis van de andere zal anders uitpakken en daarom is hier geen kaart overgenomen.

Uit onderzoek is bekend dat de eerste verstoring in een gebied een groter effect heeft dan opvolgende verstoringen. Wanneer de regelgeving vereist dat de toestand van de zeebodem in een bepaald gebied moet verbeteren, ligt het daarom voor de hand om een klein gedeelte van de visserijactiviteit te verplaatsen van de minst beviste plaatsen naar meer beviste plaatsen. Maar daarbij plaatst VisNed een zeer belangrijke kanttekening. Er zit vaak verschil tussen een visserij op de ene plek en op de andere, en je kunt ze niet zomaar uitruilen. Het gaat bijvoorbeeld niet om dezelfde schepen. Of de locatie in kwestie is wel degelijk nodig, als zoekgebied. De visserij kan niet zomaar op minder grond dezelfde vangst realiseren.

Toch biedt deze aanpak wel kansen voor beter samengaan van natuurbescherming én visserij. Het is een stap vooruit van de nu vaak gehanteerde methode: het sluiten van gebieden met een hoge visserijwaarde zonder een gedegen afweging van alternatieven. Het is echter noodzakelijk om vanuit de visserijpraktijk te blijven toetsen of de aanpak hout snijdt en niet tot problemen leidt, en daarom is en blijft VisNed samen met vissers input leveren en bijsturen waar nodig.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met info@visned.nl

Link naar het volledige advies van ICES: http://www.ices.dk/sites/pub/Publication%20Reports/Advice/2017/Special_requests/eu.2017.13.pdf

 

← Overzicht